De Woldborg: van onderwijsvernieuwing naar een stevig curriculum
Op De Woldborg in Grootegast zijn ze niet bang om het onderwijs anders te organiseren. De vmbo-school werkt vakoverstijgend, met thema’s, heterogene groepen en lessen van dertig minuten. Deelname aan de pilot Onderwijstijd VO gaf het team extra ruimte om het onderwijsconcept verder te ontwikkelen. Samen met onderwijsadviseur Marco Zwartkruis van 1801 werkte De Woldborg aan een belangrijke vervolgstap: hoe zorg je ervoor dat een vernieuwend onderwijsconcept ook inhoudelijk stevig staat en goed geborgd is? Een gesprek met Berry Landkroon, deelschoolleider en docent, en Fenneke Reinders, docent en kartrekker vakoverstijgend onderwijs.
De Woldborg is een kleine school met iets meer dan 200 leerlingen. Een aantal jaar geleden ontwikkelde het team een eigen onderwijsconcept rond drie pijlers: Eigenwijs, Stapsgewijs en Wereldwijs. Centraal staat niet alleen het behalen van een diploma, maar vooral dat leerlingen zich leren redden in de maatschappij.
Dat zie je onder andere terug in het vakoverstijgende onderwijs. Vakken als aardrijkskunde, geschiedenis en economie komen bijvoorbeeld samen in Mens & Maatschappij. Daarnaast werken leerlingen in de onderbouw aan thema’s waarin verschillende vakken bij elkaar komen. Bij een thema over landen maken leerlingen bijvoorbeeld samen een reisgids en presenteren ze hun werk tijdens een landenmarkt. Ondertussen sluiten verschillende vakken inhoudelijk aan bij hetzelfde thema: bij wiskunde gaat het over landkaarten en schaal, en bij biologie over de flora en fauna in verschillende landen.
“Wij willen dat leerlingen verbanden leren leggen”, vertelt Berry. “Vaardigheden als samenwerken en feedback geven vinden we daarbij heel belangrijk.”
Pilot Onderwijstijd creëert ontwikkelruimte
Toen De Woldborg de pilot Onderwijstijd VO voorbij zag komen, was de belangstelling snel gewekt. Binnen deze landelijke pilot onderzoeken ruim honderd scholen hoe zij binnen de geldende regels andere keuzes kunnen maken in de hoeveelheid, verdeling en vorm van onderwijstijd. Zo kunnen scholen bijvoorbeeld meer ontwikkeltijd voor leraren creëren, vakoverstijgend werken of lesuren flexibeler organiseren.
Voor De Woldborg sloot dat goed aan bij een ontwikkeling die al gaande was. De school had veel traditionele methodes losgelaten en werkte steeds meer vanuit zelfontwikkelde materialen en thema’s. Dat vraagt veel van leraren.
“Als je zo snel wilt ontwikkelen als wij, moet je ergens tijd creëren”, zegt Fenneke. “Deze pilot bood die tijd: minder verplichte onderwijstijd voor leerlingen en meer ontwikkeltijd voor docenten. Door het vijf-gelijke-dagen-model kunnen docenten 's middags met elkaar in gesprek over het curriculum en hun lesaanbod. Zo leren ze elkaars curriculum kennen en kunnen ze het lesaanbod efficiënter op elkaar laten aansluiten, wat winst voor de leerling betekent. Als de docent Nederlands bijvoorbeeld weet wanneer de docent Duits de vierde naamval uit gaat leggen, dan hij of zij vlak daarvoor het lijdend voorwerp uitleggen, zodat de docent Duits dit niet meer hoeft te doen.”
De Woldborg ging ook van lessen van 45 naar 30 minuten. Op drie middagen zijn er daarnaast werkuren waarvoor leerlingen zich kunnen inschrijven als zij voor een bepaald vak extra tijd of ondersteuning nodig hebben. Zo ontstaat meer ruimte voor maatwerk en eigenaarschap van leerlingen.
Van een goed idee naar een onderbouwd geheel
Maar juist doordat De Woldborg al veel had vernieuwd, ontstond een volgende vraag. Want als je niet meer vanzelfsprekend een methode volgt, hoe weet je dan zeker dat je onderwijs alle kerndoelen dekt? Hoe zorg je voor een goede doorgaande lijn? En hoe leg je vast wat leerlingen leren en hoe hun ontwikkeling zichtbaar wordt? Daar kwam de begeleiding van 1801 in beeld.
“We waren al behoorlijk ver”, vertelt Berry. “We wilden werken in thema’s en meer focussen op vaardigheden. Ook de plannen voor het dertigminutenrooster lagen er al. Maar er zat nog weinig wetenschappelijke kennis onder. We deden veel vanuit onze ervaring als docenten. Marco heeft daar structuur in aangebracht en kennis naast gelegd.”
Onderwijsadviseur Marco Zwartkruis begeleidde het team onder andere bij het ontwikkelen van het curriculum en het Programma van Toetsing en Overgang (PTO) voor de onderbouw. Daarbij introduceerde hij het principe van backward mapping: niet beginnen bij wat je morgen in de les wilt doen, maar eerst bepalen waar leerlingen uiteindelijk naartoe moeten.
“Dat inzicht kwam echt van Marco”, zegt Fenneke. “Eerst goed weten: wat wil je dat leerlingen aan het eind van de opleiding kennen en kunnen? En dan terugredeneren. Wij waren eigenlijk aan de onderkant begonnen.
Kritisch kijken naar wat je doet
Die manier van denken hielp het team om het bestaande onderwijs opnieuw tegen het licht te houden. Wat is de kern van ieder vak? Waar komen de kerndoelen terug? Welke onderdelen zitten juist in de vakoverstijgende thema’s? En sluiten leerdoelen en toetsing goed op elkaar aan?
Dat leidde ook tot heel praktische verbeteringen. Leraren formuleerden bijvoorbeeld niet allemaal op dezelfde manier wat leerlingen moesten leren. Met Marco werkte het team aan meer eenduidigheid in de taal van het PTO. Ook werd beter gekeken naar de spreiding van toetsen en opdrachten over de verschillende vakken.
“Als je niet van elkaar weet wat je doet, kan de leerling in de laatste week van een thema zomaar tien schriftelijke toetsen hebben”, legt Berry uit. “We hebben gekeken hoe we dat beter op elkaar kunnen afstemmen. Met de huidige werkwijze leggen we een brede basis en sluiten we aan bij de actualiteit. Dat kunnen we omdat we scherp hebben welke leerlingvaardigheden we verwachten en niet aan methodes gebonden zijn. Door vakoverstijgend te werken voorkomen wij dubbelingen in het programma. Dat is nu echt veel beter geregeld.”
Van tien naar acht thema’s
Een concreet voorbeeld is het aantal thema’s in de onderbouw. Aanvankelijk werkte De Woldborg met tien thema’s in twee jaar. Dat bleek in de praktijk veel. Het team wilde terug naar acht, maar moest daarbij wel zeker weten dat de inhoud van het curriculum overeind bleef.
Samen met Marco werd daarom nauwkeurig bekeken welke kerndoelen in de verschillende vakken en thema’s aan bod komen. Fenneke: “We hebben uitgeplozen: doen we zo voldoende om een leerling in de onderbouw klaar te stomen voor de bovenbouw en uiteindelijk het examen?”
Het resultaat is niet simpelweg ‘minder doen’. Juist door bewuster te kiezen, ontstaat meer ruimte om de thema’s goed uit te werken en tegelijkertijd zicht te houden op wat leerlingen moeten leren.
Een externe blik die versterkt
De kracht van de begeleiding zat volgens Berry niet in het overnemen van het ontwikkelproces. Het team had zelf veel expertise en veranderkracht. Marco bracht vooral structuur, inhoudelijke kennis en een kritische externe blik.
“Vreemde ogen dwingen soms”, zegt Berry. “Marco heeft echt expertise op het curriculum. Hij kan snel schakelen, maar kan zich ook stilhouden en ons eerst laten praten. Vervolgens legt hij met argumenten uit waarom iets wel of niet klopt.”
Die combinatie zorgde volgens hem voor bewustwording binnen het hele team. Leraren weten beter wat de kern van hun vak is en waar zij met leerlingen naartoe werken. Ook wordt in meer lessen formatief gehandeld, bijvoorbeeld met korte opdrachten en checks om te bepalen waar een leerling staat.
Onderwijs waarin samenhang zichtbaar wordt
De ontwikkeling stopt niet bij het PTO van de onderbouw. De Woldborg wil de komende jaren dezelfde lijn doortrekken naar klas 3 en 4 en het PTA, mede in het licht van de nieuwe eindtermen. Daarnaast richt het team zich dit schooljaar op de kwaliteit van coaching, feedback en begeleiding tijdens vaklessen, thema-uren en werkuren.
Ook tussen vakken zoekt het team steeds nadrukkelijker de samenhang. Wanneer leerlingen bij geschiedenis bijvoorbeeld al kennis hebben opgedaan die later bij maatschappijleer nodig is, stemmen leraren hun programma daarop af.
“Dat versterkt elkaar”, zegt Berry. “Anders zijn het voor een leerling allemaal losse dingen. Nu kan de ene docent voortbouwen op wat een leerling bij een andere docent al heeft geleerd.”
Blijven kijken naar wat wél kan
Die ontwikkelgerichte houding typeert De Woldborg misschien nog wel het meest. Het team probeert nieuwe dingen uit, evalueert en verbetert. Niet vanuit de vraag waarom iets niet kan, maar vanuit wat leerlingen nodig hebben.
En juist daarin komt het onderwijsconcept samen met de ontwikkeling die tijdens de pilot is doorgemaakt. Vernieuwen betekent niet alleen iets anders organiseren. Het vraagt ook dat je scherp kunt uitleggen waarom je bepaalde keuzes maakt, waar je met leerlingen naartoe werkt en hoe alle onderdelen van het onderwijs elkaar versterken.
De Woldborg heeft daarin volgens Berry en Fenneke als team een flinke stap gezet. En klaar is de school nog lang niet. De basis in de onderbouw staat steviger; nu is het tijd om daarop verder te bouwen.


.jpg)





