Drie kartrekkers over curriculumontwikkeling in het po, vo en mbo
Met de komst van de nieuwe kerndoelen staat curriculumontwikkeling ineens weer hoog op de agenda in het po en vo. Het mbo is hier al jaren doorlopend mee bezig. Luc Sluijsmans (bestuurder van de Amsterdamse Stichting Openbaar Onderwijs en Kinderopvang aan de Amstel), Lobke Rieborn (conrector havo aan het Laurens Lyceum in Rotterdam) en Janne van Wouwe (directeur Sector Techniek & Media bij het Da Vinci College in Dordrecht/Gorinchem), schoven aan voor een goed gesprek. Over kansen, valkuilen, en vooral: waarom doen we dit en wat merkt de leerling ervan?
In het mbo kunnen tweemaal per jaar aanpassingen worden gedaan aan het kwalificatiedossier (KD). Dit is het document waarin per opleiding is vastgelegd welke kennis en vaardigheden een student aan het eind moet beheersen. Eens in de paar jaar wordt een KD compleet vernieuwd. “Hoe kunnen we onze leeromgeving zo inrichten dat we studenten motiveren om te blijven leren leren? Dat is de vraag waar we in het mbo elke dag mee beginnen én afsluiten”, zegt Janne.
Janne: “Hoe kunnen we onze leeromgeving zo inrichten dat we studenten motiveren om te blijven leren leren?”
Bedoeling als kompas
De nieuwe kerndoelen simpelweg naast een net aangeschafte lesmethode leggen, in de veronderstelling dat het dan vanzelf wel klopt. Janne herkent die valkuil vanuit zijn ervaring met KD’s: “De kerndoelen zijn prachtig vormgegeven, maar wel heel erg toegespitst.” Voor hem is dat precies waarom je de vertaalslag naar je eigen onderwijs niet kunt overslaan.
Luc is trots op hoe dat er bij zijn scholen uitziet: “Ik ben schoolbestuurder van 21 basisscholen in Amsterdam. Het primair onderwijs is het meest gedifferentieerde onderwijs dat je maar kunt bedenken.” Voor hem begint curriculumontwikkeling bij het team, maar de schoolleider bewaakt de bedoeling: “Je moet als schoolleider elke dag door de school lopen om te bemoedigen en te begrenzen met behoud van contact. Want het lijkt in het onderwijs vaak om inhoud te gaan, maar in de onderstroom gebeurt van alles dat juist niet over die inhoud gaat.” Lobke vult aan vanuit de kant van het team: “Docenten willen het graag goed doen. Je moet dus ook geruststellen, ruimte geven om fouten te maken en met elkaar in gesprek blijven.”
Luc: “In je curriculum bepaal je als team wat leerlingen allemaal gaan tegenkomen”
Wat merkt de leerling?
Janne vertelt dat zijn team vijf jaar geleden een visie heeft geformuleerd met één zin waaraan alle keuzes worden opgehangen: “Wij zijn de opleider van de regio. Iedereen met een leervraag vindt ons. Die zin geeft docenten kaders én eigenaarschap tegelijk.” Luc reageert: “Ik word hier ontzettend blij van en zou willen dat iedere schoolleider in po en vo er op die manier over nadenkt.”
Lobke vindt het eveneens inspirerend, maar is eerlijk over waar haar school staat: “Wij hebben het helaas nog niet zo scherp geformuleerd.” Toch is er wel degelijk een vraag die Lobke en haar team op koers houdt: “Bij elke keuze die we maken, vragen we ons af: wat merkt onze leerling hiervan?”
Samenhang in het curriculum
Lobke geeft meteen antwoord op haar eigen vraag. Op haar school is het vooral een kwestie van vakhokjes durven loslaten. “Je moet je als wiskundedocent niet willen beperken tot het aanleren van de stelling van Pythagoras.” Dit is precies waar Luc al jarenlang voor pleit: dat schoolbesturen en schoolleiders in het vo volop werk maken van samenhang in het curriculum.
Janne weet hoe je dat kunt realiseren. Zo paste het Da Vinci College onder meer het HR-beleid aan. “We zoeken docenten die hun vakkennis kunnen combineren met coachende vaardigheden.” Het onderwijs zelf werd crossmediaal geprogrammeerd. “Dat heeft tot enorm veel stress geleid, er zijn zelfs collega’s vertrokken. Maar het was nodig.”
Lobke: “Bij elke keuze die we maken, vragen we ons af: wat merkt onze leerling hiervan?”
Een gezamenlijke taal
Luc plaatst dit soort keuzes in een groter perspectief: verandering moet systemisch kloppen, en dat begint bij een gedeelde taal tussen sectoren. “Nederland is kampioen curriculumautonomie,” zegt hij. “Nergens is de vrijheid om je eigen curriculum in te richten zo groot.” Dat is een groot goed, maar zorgt er ook voor dat po, vo en mbo elkaar maar mondjesmaat verstaan.
Janne ziet dit vooral bij de overgang tussen sectoren. “Vo-scholen richten zich begrijpelijkerwijs vooral op de instroom en de interesses van leerlingen, terwijl het mbo sterker kijkt naar de uitstroom en de behoefte van bedrijven. Daardoor ontstaat soms een verschil tussen wat het vo aanbiedt en waar het mbo en de arbeidsmarkt om vragen.” Geen verwijt, benadrukt Janne, maar wel een uitnodiging om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen en de aansluiting tussen sectoren te versterken. Lobke erkent dat in het verbeteren van die connectie een taak ligt voor het vo: “Wij zijn lang eigenwijs gebleven, daar moeten we meer vanaf. Wat daarbij kan helpen, is samen vooruitkijken en nieuwsgierig blijven naar elkaar.”
Toetsen als werkwoord
Het vraagt ook om concrete keuzes over wat je vasthoudt en wat je loslaat. Wat dat in de praktijk betekent, illustreert Luc met het advies ‘Kijk anders naar toetsing’ waar hij als lid van de Onderwijsraad zelf aan meeschreef. Hij wil het woord toetsen ontdoen van zijn negatieve lading: “Toetsen is een werkwoord: dat gebeurt de hele dag. De vraag is echter wat merkt de leerling ervan én wat doe je met al die informatie: is het voor het onderwijsleerproces, selectie of evaluatie?”
Jannes team vermijdt het woord toetsen juist bewust, omdat oudgediende docenten het nog altijd associëren met ‘afrekenen’. Een weeklange praktijkopdracht noemen ze daarom een bloktoets: “Het gaat ons niet om een cijfer, maar om inzicht in de leercurve van de afgelopen tien weken.”
Wat kun je morgen al doen?
Luc is helder: ga niet meteen alles anders doen, maar begin met opruimen. Dat vraagt iets van het hele team: “Vertrouw op jezelf en wees moedig.” Volgens Janne is het zaak om als school het gesprek te blijven voeren. Zijn motto is: klein beginnen, groot denken. “Houd vast aan de PDCA-cyclus, doe het samen, help elkaar en vier successen.” Lobke vindt cyclisch denken belangrijk. “Zet door en houd oog voor de menselijke kant.”
Tot slot
Janne hoopt dat po, vo en mbo elkaar over vijf jaar beter weten te vinden. Lobke ziet uit naar een vo waarin de docent niet alleen uitvoerder van zijn vak is, maar architect van het onderwijs. Luc beaamt dat en besluit met gevoel voor relativering, na 25 jaar in het vak: “Er is feitelijk niets nieuws onder de zon; je curriculum elk jaar herijken zou normaal moeten zijn. En wat meer humor en relativering helpt daar reuze bij.”
Wat dit gesprek vooral laat zien, is dat po, vo en mbo, ondanks hun verschillen, uiteindelijk dezelfde vraag centraal stellen: doen we het goede voor onze leerling? De antwoorden verschillen per school en sector, en het is nooit klaar. Eén ding staat voor alle drie vast: die vraag stellen, telkens opnieuw en het liefst samen, is precies wat curriculumontwikkeling in beweging houdt.


.jpg)




